BelBul

1. De vreemdeling

Als een afgekeurde vaatdoek lag hij zielig in een hoekje. Het kleine beetje ruimte aan de linkerkant was ook al weg. Wat was er toch aan de hand.
Ziekte op komst?. Of beefde hij zo door dat vreemde geluid?

Toen was het opeens stil. Gelukkig verdween daarmee dat schelle geluid en dat vervelende beven. Zo leek alles weer hetzelfde.
Hoewel…..alles?

Blij dat de rust was weergekeerd, staarde hij voor zich uit. Weer die zelfde stilte als altijd. Hij dacht na. Had dat geluid eigenlijk ook niet iets grappigs? Zou hij het ook kunnen?
Zo was niet alles hetzelfde meer. Hij was nieuwsgierig geworden.

De eerste pogingen waren een flop. Diep ademde hij in. Hoestend en proestend blies de adem echter net zo snel zijn mond weer uit. Op die manier werkte het dus niet. Te gehaast. Hij moest iets anders bedenken. 
Weer haalde hij diep adem. Beetje bij beetje liet hij nu de lucht ontsnappen. Rustig aan doorgaan. 
Verdraaid zeg. Het begon zowaar op iets te lijken. Nog maar een keer. Van veel herhalen schijn je nou eenmaal handig te worden. 
Elke nieuwe keer leek het een beetje beter te gaan. Het klonk anders dan dat schelle geluid, maar toch. Trots probeerde hij het nog een keer.    
“Wie daar?”.
Onmiddellijk stopte hij . Wat was dat? Iets dat tegen hem praatte? En zo dichtbij? Gekker kon het niet worden. 
Uit de stilte, kwam dat vreemde, schelle geluid weer opzetten.
Wat zal hij doen?
Lang er bij stil staan hoefde hij echter niet. Het andere was hem voor.
“Ik hoorde je wel. Wie ben je?”.
Wat een vraag zeg. Wie ben je. Tja, dat wist hijzelf eigenlijk ook niet. Wat moest hij nu?
Hij dacht na. Wat zou hij verliezen als hij iets terug zou zeggen. De rust misschien?
Maar wees nou eerlijk, was dat alleen zijn nou alles? Is wat gezelschap op zijn tijd ook niet gewoon leuk?. 
Zo liet hij de angst en onzekerheid achter zich en ging de uitdaging aan.   
“En wie bent u ?”. Kijk, dat rolde er zomaar uit.  
Weer stilte.
“Eh”, hakkelde de eerder voor hem zo vlot lijkende spreker, “wel, Ik ben Bel”.
“Bel?”.
“Ja”, antwoordde de stem, “zo heb ik mezelf genoemd, omdat ik zo’n schel geluid kan maken”.
“Zeg dat wel, Bel”, antwoordde hij kordaat.
“Zal ik..”.
“Nee, nee. Dank je Bel. Ik geloof je direct”.
Alsjeblieft geen herhaling zeg. Bij de gedachte aan dat geluid, begon hij al te beven als een rietje
“En jij?”.
“Ik?”.
“Ja, wie anders. Hoe heet jij?”.
“Eh, tja..ik weet eigenlijk niet….”
“Heb je wel een naam?”
“Niet dat ik weet”.
“Vreemd. Alles moet een naam hebben, anders beteken je niets”.
“Zit wat in, maar …..”
“Maak dat geluid nog eens”.
“Moet dat nou echt, ik ben pas…”
“Doe nou maar”.
Met zo een vakman naast je, was dat makkelijker gezegd dan gedaan. 
Hortend en stotend probeerde hij zijn pas geboren geluid ten gehore te brengen.
Gelukkig stoorde de ander zich er geheel niet aan. Integendeel. 
“Ik hoor het al”, sprak de nieuweling kort en bondig.
“Ik noem je Bul”.
“Bul?”.
“Ja, je maakt een echt bullig geluid, Bul. Er zit een u in je stem. En dat is maar goed ook. Stel dat er een è in had gezeten, dan hadden we allebei Bel geheten en dat was niet handig geweest”.
“Maar”, stamelde Bul, “ik, wie, eh… waar …. ”.
“Veel onzekerheden tegelijk Bul, hoe het ook zij, in ieder geval lig ik dicht tegen je aan”.
Bul schrok. Lag die Bel hetende Kwebbelaar ook nog eens dicht tegen hem aan?
“O ja?”.
“Ja. Toen ze me weggegooide, rolde ik pardoes tegen je op”.   
Dus het was de Kwebbelaar die voor de benauwdheid bezorgde. Tsjonge.
“Lig je hier allang, Bul?”
“Te lang”.
“Ben je ook bij toeval aan de Barbaren ontsnapt?”
Bul had geen idee waar het over ging.   
“Luister. Ik lag al klaar om vermalen te worden toen plots één der Barbaren uitriep dat er een vreemde plek op mij zat. Gelukkig maar, zodoende ben ik hier beland. Jij moet toch ook zoiets hebben meegemaakt, Bul?”
“Ik kan me er niets van herinneren”.
“Komt vast omdat je hier te lang ligt, Bul. Weinig prikkels, veel geheugenverlies”.
Bul wist niet wat hij met al dat gekakel aan moest. Dat de rust voorbij was, was hem wel duidelijk. Wat een geklets zeg. 
“Je hebt die Barbaren zeker nooit horen praten, hè. Zal wel niet. Nou ik wel. Ze praten de bulten van je hoofd”.
Bul glimlachte. De Kwebbelaar had al dat gepraat in ieder geval niet van een vreemde.
“Ze hebben het er zelfs over dat dingen kunnen evolueren, Bul. Ik weet het, ik weet het. Een moeilijk woord. Maar ik heb het inmiddels begrepen. Zal ik je vertellen wat het betekent?”.
Voordat Bul er iets tegenin kon brengen ratelde de Kwebbelaar opgewonden voort. 
“Het betekent dat, als de omstandigheden goed zijn, dingen zich anders kunnen ontwikkelen dan ze zijn. Snap je?”.
Bul snapte er geen fluit van, maar dat scheen niemand iets te deren. Als een opgewonden kip werd verder gekakeld.  
“Ik was er helemaal vol van toen ik het hoorde. Ben onmiddellijk gaan proberen geluiden te maken en het lukte Bul, het lukte. Misschien is er nog wel meer mogelijk”.
Bul zweeg als het graf. Wat moest hij…..  
“Luister je wel, Bul. Het is mateloos interessant”. .
“Zal wel”, antwoordde een narrige Bul, “maar ik snap er eerlijk gezegd niets van”.
“Kan ik me voorstellen. Je had die Barbaren moeten horen, dan had je….”.
“Wat zijn die omstandigheden dan?”
“Goede vraag, Bul. Goede vraag. Zie je wel dat er meer in je zit dan je zelf had gedacht. Ik zal het je haarfijn uitleggen.
“Kijk, Bul. Het gaat om vier dingen. Vier dingen die tegelijkertijd met elkaar moeten samensmelten. De stof waaruit je bestaat, warmte, vocht en licht. Als die samensmelten Bul, kunnen er volgens de Barbaren vreemde dingen gebeuren”.
Bul mompelde wat. Het zal allemaal wel. Voorlopig was deze ervaring al vreemd genoeg.
“De stof is het simpelst, Bul. Dat ben je nou eenmaal al. Maar dan de rest. Toen ik tegen je aan rolde dacht ik meteen dat is mooi. Dat levert in ieder geval warmte op”.
Daar had de Kwebbelaar gelijk in. Zo benauwd had hij het tot nu toe nog niet gehad.  
“Vocht moet ook mogelijk zijn, Bul, zo tegen elkaar aan”.
Ook dat klopte, door al dat geklets zweette hij als een tierelier.   
“Maar het probleem zit hem in het licht”. Teleurgesteld beëindigde de Kwebbelaar de woordenstroom. 
“Hoe kom je aan licht”. 
Ja een waarheid als een koe, dacht Bul. Waar ze lagen was het op dat moment pikkiedonker.
Zo viel de stilte weer in. Een peinzende Bul kon zich de teleurstelling wel voorstellen. 
“Soms is het hier even licht”, reageerde Bul bemoedigend.  .
Onmiddellijk veerde de Kwebbelaar op.  
“Echt waar? Vertel”.
“Nou gewoon”. “Soms gaat dat donkere rechthoekige ding open en valt er licht naar binnen”.
“Oké, lang?”
“Wisselend”.
“En wanneer gaat dat ding open?”.
“Af en toe”.
“Goed, goed. Luister Bul. Zodra dat ding open gaat, moeten wij het geluid in ons opwekken. In de hoop dat de vier elementen dan zullen samensmelten. Begrepen”. 
Over dat geluid begreep Bul wel, de rest was acacadabra.
Weer stilte en alles leek als vanouds. Alleen de druk van de Kwebbelaar tegen zijn lichaam, was het bewijs van verandering. 
Toen gebeurde onverwacht datgene waar Bul een beetje op had gehoopt. Langzaam en met veel gekraak, opende dat rechthoekige ding zich.
“Waar moet dat staan?”, riep iemand.
“Weet je dat nou nog niet”, reageerde een ander.
“Zo te zien ergens onder in”.
Het rechthoekige ding werd wijder open gedaan en licht drong de ruimte binnen.
“Nu”, fluisterde Bel opgewonden, “nu, Bul, nu moet het gebeuren”.
Uit alle macht probeerden ze hun beste geluid ten gehore te brengen. .

 

“Volgens mij zitten er muizen in de kast, mam”, klonk het van de andere kant.
“Wat zeg je?”, antwoordde de ander, die dichterbij kwam.
“Volgens mij zitten er muizen, ik hoorde wat geritsel”.
“Zou kunnen, ik zal straks wel een val zetten. Misschien moet je Tom zijn werk laten doen. Heb je dat vogelvoer nu?”.
“Ja, maar.. zie je wel, er zit een gat in de zak”.
“Als jij de zak dicht plakt, dan ruim ik straks de rotzooi wel op”.
Zodra de opruimactie voorbij was, sloot het rechthoekige ding zich en het licht verdween.   
“Dat waren nou een paar onvervalste Barbaren, Bul”, fluisterde de Kwebbelaar na een tijdje.  “Wat een opwinding”.
“Zou ons geluid geholpen hebben?”, vroeg Bul zich af, “Ik merk niks”.
“Ik ook niet, misschien moeten we geduld hebben. Ik ben wel moe geworden van alles. Volgens mij hebben we slaap nodig”.
Bul kon zich daar helemaal in vinden en beide lieten zich mee voeren naar het land der dromen. 
 
 

2. De nacht

“Psst, Bul, psst, ben je wakker?”
“Nu wel ja”, mompelde Bul licht geïrriteerd. Bel zal wel weer voor het nodige gerinkel gaan zorgen. 
“Voel jij wat ik voel. Het voelt heel vreemd…”.
Bul ging bij zichzelf te rade.
”Ik voel niks”, …of…wacht eens   of toch wel?”
“He, nou je het zegt. Het lijkt wel of….”.
Ook Bul bemerkte een vreemd weeïg gevoel in zijn lijf.
“Hou op, Bul. Dat is niet leuk”.
“Wat bedoel je”, antwoordde Bul, zich van geen kwaad bewust.
“Je zit me te betasten”.
Verbaast probeerde Bul erachter te komen wat de Kwebbelaar kon bedoelen.
Nu hij er op lette, voelde ook hij het één en ander.
“Zeg jij maar niks”, reageerde hij boos.
“Wat gebeurt er toch?”.
“Ik weet het ook niet. Het lijkt wel of ik iets kan bewegen”.
“Je hebt gelijk. Zou het het wonder van de vier elementen zijn, Bul?”
“Wat het is is het, maar het is wel vreemd en ongebruikelijk”.
“Pfff”, zuchtte de Kwebbelaar, ik zweet er van. Wat doen we nu?”
“Niets”, antwoordde Bul wijs, “wachten tot morgenochtend”.
“Tot morgenochtend!, ik kan niet…..”.
“Veel te donker nu”, viel Bul in de rede, “straks gebeurd er iets en je vier elementenwonder is als sneeuw voor de zon verdwenen”.
Daar had Bul gelijk in.
“Hoe weten we wanneer het ochtend is. Als dat rechthoekige ding niet open gaat, dan blijft het vast donker”.
“Elke ochtend roept één of ander beest de wereld wakker”, antwoordde Bul.
“Nou, dat is wel aardig. Maar daarmee wordt het hier nog niet licht”.
“Klopt, maar meestal gaat daarna dat ding even open en soms blijft hij een tijdje op een kier staan. Afwachten maar”.
“Ik kan vast niet meer slapen”.
“Ik ook niet, maar dat doet er niet toe. We wachten rustig de ochtend af”.
Zo gezegd zo gedaan. Al schaapjes tellend, wachtten ze geduldig op de morgenstond.

 

3. De volgende ochtend

Na een lange onrustige nacht, leek het dan eindelijk zover.
“Bedoel je dat?”, vroeg de Kwebbelaar, bij het horen van een raar krasserig geluid met een lange uithaal.
“Dat is het ja”, antwoordde Bul, die constant wakker was geweest.     
Het geluid herhaalde zich een paar maal.
‘Kukkeleku’, klonk het van ergens uit de verte.
“Duurt het lang voordat dat we een glimpje licht opvangen?”.
“Afwachten”.
“Spannend, he. Na al dat gedoe”.
Bul reageerde niet. Wel dacht hij na wat te doen als het licht naar binnen zou komen.
Uit de verte naderde stemmen. 
“De Barbaren”, fluisterde de Kwebbelaar.
“Jan, pak jij vast wat brood uit de kast, dan zet ik koffie”.
Langzaam ging het vierkante ding open en een vreemd voorwerp gleed naar binnen. De Barbaar pakte een trommel, rommelde er wat in en liep naar een andere kamer.
Bul keek naar de vreemdeling. Voor het eerst zagen ze elkaar. De Kwebbelaar gniffelde wat.
“Moet je kijken ik kan…..”.
“Ssst”, maande Bul en gebaarde tot stilte. 
Ook hij was verbaasd over wat hij zag, maar hij besefte drommels goed dat als er iets mis zou gaan, de lol er snel van zou zijn. Even het verstand gebruiken.
Gelukkig had hij bij regelmaat de kast goed kunnen bekijken en wist zo ongeveer wat er allemaal te vinden was.  
“Heb je nog een muizenval gezet”, hoorde ze één van de Barbaren zeggen.
De ander moest de vraag met nee beantwoorden.
“Er staat er nog één in het linker kastje. Zet hem maar neer in die hoek op de plank waar dat oude brood ligt”.
De schrik sloeg om Bul’s hart. Hij wist haast wel zeker dat de stem uit de verte doelde op de plek waar zij zich nu bevonden.
Snel pakte Bul de Kwebbelaar vast.
“Kom mee, weg wezen hier”.
In mum van tijd stonden beiden op de voorkant van de plank. Zonder er lang over na te hoeven denken, sprong Bul onmiddellijk naar beneden. Hand in hand zweefden ze door de lucht. Op de grond aangekomen verdween Bul onmiddellijk de kast weer in. De Kwebbelaar trok hij met zich mee.
Achter wat flessen en de zak met kattenvoer kwamen ze tot stilstand.
De Kwebbelaar wilde weer wat zeggen, maar Bul maande voor de tweede keer tot stilte. Eén van de Barbaren keerde terug, pakte iets uit een hangkastje.
“Je bedoelt in die hoek, naast de koektrommel?”..
“Ja, daar, rechts van de kastdeur”. 
“Daar ligt anders geen oud brood”.
“Ook geen krentenbollen?”
“Ik zie niks”.
De ander kwam nieuwsgierig dichterbij en beiden keken de kast in.
“Vreemd, ze lagen er volgens mij pas nog. Nou ja, het is in ieder geval een goede plek”.
Er werd nog even wat gerommeld, alvorens de ruimte verlaten werd. De rust leek weergekeerd.
Gelukkig bleef de kastdeur op een kier staan.
“We moeten snel een schuilplaats zien te vinden”, fluisterde Bul.
Voorzichtig liepen ze naar de opening van de kast en keken nieuwsgierig om zich heen.
“Zou dat kastje aan de overkant wat zijn?”.
“Misschien. Houd jij de wacht. Als er gevaar dreigt, dan geef je een korte hoge gil. Ik ga op inspectie”.
Behoedzaam sloop Bul naar de andere kant. Onder een karretje met wat groente en fruit vond hij een schuilplaats. Plots hoorde hij een korte, hoge gil. Onmiskenbaar was dat het geluid van de Kwebbelaar. Zo snel had hij dat niet verwacht.
Toen hij zijn hoofd omdraaide, weerkaatsten twee grote, felle ogen in de zijne. Wat was dat voor een monster?.
Schichtig keek Bul om zich heen. Het monster haalde met zijn poten naar hem uit. Gelukkig zag hij in zijn ooghoeken de Kwebbelaar achter een fles verdwijnen.
Wat nu? Een paar grote, groene, ronde, dingen in het karretje boven hem, zouden uitkomst kunnen brengen.  Behendig klom hij aan de buitenkant omhoog. Bul´s actie werd echter door het Monster nauwkeurig gevolgd. Toen Bul achter de ronde dingen verdween, probeerde het monster uit man en macht de schuilplaats met zijn poten om zeep te helpen.    
Bul´s oog viel op een paar rode balletjes in een doosje. Wacht eens. Misschien kan hij daar iets mee uitrichten. Hij strekte zijn armen en gooide er één naar de vijand. Ondertussen kreeg het Monster meer en meer grip op de ronde dingen waarachter Bul verscholen zat. Eén ervan viel op de grond. Onmiddellijk zette het Monster zijn poot er op. Het ding schoot weg en kwam tegen een poot van het karretje aan. Chaos was het gevolg. Door de actie van het Monster werd het karretje in beweging gezet. Met veel lawaai viel er van alles op de grond.
Uit de andere kamer klonk gestommel. Eén van de Barbaren kwam de ruimte in.
“Wat is hier aan de hand?”, gromde degene. De rommel op de grond sprak voor zich. Boos keek hij naar het monster.
`Tom”, zei de barbaar streng, “wat heb je gedaan”.
De andere kwam ook de ruimte binnen en pakte het monster in de armen.
“Ah, Tommy, ik begrijp het wel, lievie. Je had natuurlijk die rotmuis op het oog”.
Ondertussen werd de zooi opgeruimd en alles keurig op de plek terug gelegd.
Met het Monster in de hand, verlieten de twee de ruimte.
Zonder het te beseffen was de actie van de twee Barbaren de redding voor Bul.
Toen alles begon te schuiven, schoof Bul mee en kwam onder het karretje op de grond terecht. Gelukkig schrok het monster van de twee binnenkomende personen en droop af. Tot Bul’s verrassing zag hij een gat onder in het kastje tegen de muur. Als een haas schoot hij er in. 

Na verloop van tijd kwam er weer leven in de brouwerij.
“Bel,…. Bel, hoe is het,……. alles rustig?” 
Voorzichtig stak Bul zijn hoofd om de hoek van het gat. Geen reactie.
Zou er wat gebeurd zijn? 
Bul strekte zijn armen en schoofvoorzichtig  langs de onderrand van de kast naar de plek waar hij de Kwebbelaar voor het laatst had gezien.  
Aan het eind gekomen, loerde hij van links naar rechts. Zou hij het proberen?
Na enige aarzeling nam hij de oversteek.
“Bel, waar ben je”, riep Bul, om zich heen kijkend.
“Hier”, hoorde hij ergens in de verte. 
Opgelucht keek Bul in de richting van het geluid.
“Gaat het wat?”.
“Ik ben vreselijk geschrokken. Ik dacht even dat dat monster..”
“Het is gelukkig goed afgelopen. We moeten hier alleen wel weg. Straks komt dat mormel terug”.
“Goed. Maar waar heen?”.   
“Ik heb een gat gevonden waar…….”. 
Bul wenkte de Kwebbelaar en samen verdwenen ze richting de schuilplaats. 

 

4. De schuilplaats

“Het is hier aardig donker”.
“Even wennen”, reageerde Bul.
Uitgeput gingen beiden op de grond zitten.
“Wat een belevenis”, begon de Kwebbelaar.
“Zeg dat wel, dat monster…”.
“Niet alleen dat. Vooral wat er met ons is gebeurd..!”.
Bul knikte.
Door dat Monster zou je het bijna vergeten. Ze konden zich zomaar voortbewegen en elkaar zien. Het was amper te bevatten.
Gewend aan het schemerige licht, keken ze elkaar aan.
“Wat zijn dat voor rare stokken aan je lijf”, wees Bel naar Bul
“Zeg jij nou maar niks en kijk eerst maar eens goed naar jezelf”.
En dat deden ze. Zo was het even één groot kijkfeest.
“We hebben allebei hetzelfde”, reageerde Bul verbaast.
De Kwebbelaar keek opnieuw naar zichzelf, strekte de stokjes en stond voorzichtig op. .
“Dat is zo, maar…”
“Maar wat?”
“Vind je mijn stokken ook niet wat mooier?”.
“Hu, mooier?”.
“Ja, wat mooier van vorm”.
Met grote ogen keek Bul de Kwebbelaar aan.
Wat een ijdeltuit zeg.
Ook Bul stond op.
“Pff, kan wel zijn, maar de mijne zijn langer”, zei hij trots.
“Ik heb ze liever wat korter en mooier”, reageerde Bel geprikkeld.
Bul haalde zijn stokjes op en ging weer zitten
“Wat maakt het uit…maar tsjonge, die barbies van jouw…”, veranderde hij van onderwerp.
“Barbies?”
“Eh, nou ja, hoe ze ook mogen heten….”
“Je bedoelt de Barbaren zeker”..
“Ja, die Barbaren. Hoe je het ook went of keert, ze hebben gelijk gehad. Hadden ze nog meer interessante verhalen?”.
“Vast wel. Je zou zelf eens je oor te luister moeten leggen”.
“Hmm”, reageerde een vermoeide Bul.
“En wat nu?”, opperde de Kwebbelaar.
“Nou, niets. Even uitrusten”.
“En daarna verder zeker”.
Voor de zoveelste keer keek Bul verbaast naar Bel. 
“Verder?”.
“Ja. We moeten het doorvertellen”.
“Doorvertellen?”
“Ja, natuurlijk. Iedereen moet het grote nieuws horen en hetzelfde gaan ervaren”.
“Ben je niet wat voorbarig?”, antwoordde Bul, “misschien valt het wel tegen”. 
“Tegenvallen?. Zag je ons van die kast springen en wegrennen. Wat een energie en levenslust zeg”.
“Dat is waar, maar het is allemaal nog erg pril. We kennen we de nadelen nog niet en misschien is onze verandering wel tijdelijk”.
“Niet te hopen”.
Bul keek naar diegene waar het allemaal mee begonnen was. Hoewel dat gekwebbel soms te wensen overliet, vond hij de aanwezigheid van Bel toch wel erg bijzonder en leuk.
“Au..”, gilde Bel. “Wat doe je nou sufferd. Je knijpt me.”.
“Even kijken of die mooi gevormde stokken van jou ook goed reageren”.
“Gek. Pas maar op jij”.
“Hoeii”, gaapte Bul.
“Laten we eerst even wat uitrusten. Ik ben moe. Daarna zien we wel verder”.  
Warmpjes vielen ze tegen elkaar aan in slaap.