De A.I.D.

Hoofddorp Oktober  1989. De A.I.D. (waar gebeurd)


Met een lege kop koffie in mijn hand staarde ik ins blauwe hinein.  Dwalend door mijn gedachten  zag ik de operatie al voor me. Twee verzorgingshuizen die door provinciebeleid moesten sluiten en fuseren tot één. Arme bewoners. Na jaren van woonplezier moesten ze hun vertrouwde plek gedwongen afstaan. Voor velen was dat het ergste niet. Wel dat ze als ouderen nu hun heil in een nieuw dorp moesten zien te vinden. “Dan nu agendapunt drie”
Van het papieren agendapunt keek ik op naar de voorzitter en weer terug. De leden van de vergadering mocht zich verlustigen in het opstellen van een concept verhuisplan,
Echter, op het moment dat de voorzitter het onderwerp wilde aansnijden, verscheen onverwacht de receptioniste in de deuropening.
“Sorry dat ik stoor”, excuseerde ze, “maar er staan twee mannen in de hal voor de heer Hagedoorn. Het schijnt dringend te zijn. Politie”.
Verbaasd over deze overval wende ik mijn hoofd naar de voorzitter en fronste schouderophalend mijn wenkbrauwen.
De voorzitter knikte en in pauselijke tred liep ik uiterlijk onverschillig de vergaderruimte uit.
Slechts enkele seconden waren mij gegeven om te graven naar het causale verband, Politie? Als keurige belastingbetaler was ik me van geen kwaad bewust, Zou mijn rijgedrag soms al te frivol zijn geweest?  Iets anders kon ik mij niet bedenken. Maar om iemand daarvoor te storen tijdens een vergadering?

In de hal van het verzorgingshuis verschenen twee rijzige gestalten op mijn netvlies. Eén man in burger en één in politieuniform. De burgerman gaf ik als eerste een hand en stelde mij voor. Twee blauwe ogen keken mij strak en streng aan.
“Althoven. A.I.D”, antwoordde hij.
Terwijl ik de politieman een hand gaf, echoode het door mijn hoofd. A.I.D. A.I.D? Op het moment dat het woord algemene inspectiedienst in mijn cellen opdoemde,  viel het kwartje nog steeds niet. Integendeel.

Daar ik werd benaderd en niet andersom, wachtte ik geduldig op het moment van de aftrap. Die volgde snel.
“Heeft u vogels?”, vroeg de blauw ogende AIDer.
Vogels? Nog vatte ik het niet. Vogels, Storen ze je daar al voor?
“Ik heb een mozambiquesijsje”, antwoordde ik naief, doch correct, “leuk beestje, maar een slechte zanger”. De politieman gniffelde.
“Dat bedoel ik niet”, antwoordde de AIDer streng.
“Bent u in het bezit van opgezette vogels?”.
Hoewel ik niet kon inschatten wat er precies speelde, werd me opeens een boel duidelijk.  “Ik heb er een paar in mijn bezit”, antwoordde ik, “en?”.
“We zouden die graag willen zien”, vervolgde de AIDer.
Ik richtte mijn hoofd op de politieman die buiten een korte gniffel zijn mond nog niet had bewogen.
“Na de vergadering bent u welkom”, reageerde ik en we spraken af rond de klok van vijven in mijn huis te Badhoevedorp.

Terug de vergadering in versloeg ik kort en bondig de interruptie.
Snel werd het vergaderritme weer als gebruikelijk opgepikt.  Gewoon, alsof er niets gebeurd was en de nieuwsgierigheid niet was gewekt.  Het tegendeel bleek echter  waar. Toen het zweet van de vergaderhoofden kon worden weggeveegd, woorden geen weerklank meer vonden en de koffie op was, bleek de algemeen directeur en voorzitter de heer van der Vlugt buitengewoon geinteresseerd geraakt.
“Heb je er bezwaar tegen als ik met je mee ga. Mischien kan je wel wat steun gebruiken”, zei hij met een schijnbaar serieuze trek om zijn mond
“Prima”, glimlachte ik, “waarom niet”.

Eenmaal aangekomen op mijn woonadres, zaten de heren al uitgebreid voor de deur in de auto te wachten.  Met een blik van verstand houding keken wij elkaar aan. Zouden er echt geen belangrijkere zaken zijn tijdens het bewaken van de openbare orde en veiligheid, dan zich bezig te houden met een paar opgezette vogels?

Zo zaten we enkele minuten later met z’n vieren zwijgend in de huiskamer.
Althoven, in de aanvalshouding, op het puntje van zijn stoel. De politieman, schijnbaar ongeinteresseerd, onderuit gezakt in de kussens. Van der Vlugt met de benen over elkaar in de pose der observatie. Terwijl ik zelf mij begiftigde met de positie der afwachting. 

De AIDer opende het gesprek.
“Mijn naam is Althoven, beambte bij de algemene inspectiedienst te Alphen aan de Rijn. Ik ben belast met milieuzaken. Dit is college Jansen, medewerker bij de politie Haarlemmermeer en in die hoedanigheid hier aanwezig”.
Althoven keek naar Jansen die wat onbeduidend knikte.
“U bent in het bezit van opgezette vogels en u heeft de wet overtreden”, zei hij strak voor zich uit kijkend.
Het adrenaline gehalte in mijn bloed begon onmiddellijk te stijgen en raakte bijna op het kookpunt, toen hij vervolgde met de woorden; “Alles wat u zegt kan tegen u gebruikt worden…….”
Het was van der Vlugt die mij tegen allerlei  oude en nieuwe hollandsche scheldwoorden behoedde.
“Misschien is het raadzaam eerst een advocaat in te schakelen”, reageerde hij welgemeend.
Geirriteerd draaide Althoven zijn hoofd naar hem om.
“Wij nemen deze zaak serieus meneer en…”
Voordat iemand kon reageren kwam ik tussenbeide.
“Dat u uw werk serieus neemt geloof ik direct, maar daarom hoeft u niet zo’n toon aan te slaan en iemand als een crimineel te behandelen, voordat we weten waar het eigenlijk om gaat”.
Althoven zweeg als het graf en volgde daarin zijn college die vanaf het begin al met de grafbacterie was behept. Bij van der Vlugt sloeg de vlammen van prêt uit  zijn ogen en ik kookte van woede.

“We willen de vogels graag zien”, zei Althoven na verloop van tijd.
“Dat kan”, reageerde ik nog altijd zwaar geirriteerd, “zoals u ziet zijn ze alom aanwezig”.
Althoven keek de huiskamer in, stond op en liep met de politieman richting een opgezette Groenling. Vleugellam volgden van der Vlugt en ik de beide heren.
“Dat is een Groenling”  zei ik.
“Dat zie ik”, reageerde Althoven, de indruk wekkende verstand te hebben van de diertjes.
Op weg naar het volgende slachtoffer besloot ik evenals de met de grafbactierie behepte politieman te zwijgen als het graf. Een  korte kennistoets.
“Wat voor een eend is dit?”, vroeg Althoven  wenkbrauw fronsend. Ook de politieman boog zich geinteresseerd voorover.
“Tja”, reageer ik onnozel, van der Vlugt aankijkend, “even denken”.
“Misschien een topper”, mompelde Althoven.
“Nou dat zeker niet”, antwoordde ik met een theatrale glimlach. Echter, om de situatie niet nog belachelijker te maken dan ik hem al vond overwoog ik de naam van mijn opgezette kamaraad maar kenbaar te maken. 
“O ja, natuurlijk. Hoe kon ik het vergeten. Een grote zee-eend”.
Althoven keek me aan.
“Geen zwarte?”.
“Nee, geen zwarte”, kopieerde ik. “Een grote. Een zwarte staat daar”. En wees naar de schoorsteenmantel.
“Hoe bent u in het bezit gekomen van deze vogel?”, vroeg Althoven, het beest optillend.
“Gevonden op het strand”, antwoordde ik, de waarheid sprekend.
Intussen liepen we naar de volgende.
“Deze heeft geen ring om”, constateerde Althoven triomfantelijk.
Gevierlijk bogen we onze hoofden geboeid richting kwatta. Kwatta bleek een Alk te zijn.
“Zeker er af gevallen bij de verhuizing”, reageerde ik welgemeend.
De uitdrukking in Althoven’s ogen deden vermoeden dat hij hier anders over dacht.
Na de ronde te hebben volbracht in 17 minuten en 7 seconden, vielen wij knock out weer terug in onze stoelen. Opnieuw  was het Althoven die de stilte doorbrak.
“U bent in overtreding. We zullen enkele vogels in beslag moeten nemen”.
“In overtreding?”, reageerde ik verbaasd, “elke vogel is geregistreerd. Ze zijn in 1979 gevonden op het strand. We hebben de politie gevraagd hoe te handelen. Ontvingen een C2 vervoersbewijs en hebben de vogels naar een erkende preparateur gebracht. Ik zou niet weten wat er fout gegaan is”.
“U had ze moeten laten registreren bij het ministerie van Landbouw en Visserij”, antwoordde Althoven rustig, “ze vallen niet onder de vogelwet, maar onder de jachtwet”.
Gelukkig zat ik op een stoel, anders was mijn broek ter plekke afgezakt.
“Alsof ik dat aan die vogels kan ruiken”, antwoordde ik verontwaardigd en chagrijnig tegelijk.
“Men dient de wet te kennen”. Aldus Althoven.
“Met name de politie”, interrumpeerde van der Vlugt hem ad rem.
“De primaire verantwoordelijkheid ligt bij de burger”, reageerde Althoven.
Verbouwerereerd draaide ik mijn hoofd naar de politieman die zich nog immer verhulde in stilzwijgen. Hij zal vast Willem heten, dacht ik.
“Onder de jachtwet”, mompel ik hoofdschuddend,”bevestigt dat mijn vermoeden dat er wellicht gedacht wordt dat er gejaagd is op deze vogels?”.
“We sluiten het niet uit”, antwoordde Althoven formeel.
“Wat een bureaucratisch gewauwel”, reageerde ik kwaad, “jagen op vogels die alleen op open zee voorkomen, om ze drie weken later zeker op het strand te gaan zoeken en eenmaal gevonden ze als rotte vis ze in de pan te leggen”.
Heftig schudde ik met mijn hoofd. Wat een vertoning.
“Magi k u wat vragen”, kwam van der Vlugt beleefd tussendoor.
“Gaat u gang”, reageerde Althoven.
“Ik vind het een verdienste van onze maatschappij dat er een bevoegd orgaan is die de naleving van de wet toetst, ter bescherming van mens en dier”.
Beide heren knikten instemmend, terwijl van der Vlugt  verder ging, “Maar waar hebben we het hier eigenlijk over? Vogels die al tien jaar het levenslicht niet meer genieten, hoe zinvol….”.
“Wet is wet”, antwoorde Althoven stug.
“Hoe komt u eigenlijk aan mijn adres?”, kwam ik nieuwsgierig tussenbeide.
“Uit de boeken”, antwoordde Althoven.
Vol ongeloof keek ik hem aan.
“Uit de boeken?”, herhaalde ik, “met andere woorden. Als je rechtmatig handelt, wordt je daarvoor gestraft.
Een antwoord op mijn vraag bleef uit.  
“We moeten drie vogels in beslag nemen’, sprak Althoven gedecideerd, “de grote zee-eend, de zwarte zee-eend en de Alk, omdat hij niet geringd is. Heeft u er nog meer?”.
“Nee”, loog ik, als hij de boeken werkelijk had ingekeken moest hij weten dat er nog veel meer zijn. Gelukkig niet hier thuis, maar in de vitrine op mijn werk.
“Magi k u een laatste vraag stellen”, vroeg van der Vlugt met een uitgestreken gezicht.
“Gaat u gang”, antwoordde de AIDer.
“ik begrijp dat het hier om een serieuze zaak gaat. Om dit soort problemen voor te zijn, wil ik u het volgende voorleggen”.
Rustig wachtten beide heren zijn verhaal af.
“ik wandelde een keer met mijn vrouw door het bos. Aan de bosrand vonden wij een dode vogel. Mijn vrouw stelde voor het beest op te zetten. Met enige tegenzin heb ik uiteindelijk aan haar wens voldaan.  Het is inmiddels wel 15 jaar geleden”, vervolgde hij, “het arme beest staat nog steeds op de schoorsteenmantel. Ik hoop niet dat ik in overtreding ben”.
“Wat voor een vogel is het”, vroeg Althoven nieuwsgierig.
“Een spreeuw”, antwoordde van der Vlugt.

Wetende dat hij in de maling werd genomen, antwoordde Althoven correct, Een spreeuw behoort immers niet tot de categorie van beschermde soorten. Zo verdwenen beide heren met drie opgezette vogels. Er zou een process verbaal worden opgemaakt. Naar aanleiding daarvan bleek dat de vogels onder de jachtwet vielen per april 1979, terwijl ik ze had gevonden in December ’78 en januari ’79. Ik heb bezwaar ingediend, maar er tot op de dag vanvandaag niets meer over gehoord.
Advies voor elke opgezette vogel bezitter. Laat je niet overdonderen en geef de beestjes nooit mee. Overigens, later hoorde ik van de preperateur de heer Worries te Amsterdam, dat Althoven nog in vrijwilige dienst was ook. Fanatieker dan wie dan ook.