Jeugdherinneringen (deel 1)

Aanleiding

Het begon zoals het sinds mensenheugenis begint. Betrouwbaar, loyaal, de aloude afspraak nakomend.
Als vanouds beroerde ook deze ochtend een onzichtbare hand de plooien van het verduisteringsgordijn. Met uiterste precisie openbaarde het wereldtoneel zich beetje bij beetje aan haar toeschouwers. 
Al snel bleek de sfeer van het toneelstuk voor een aangename verassing te zorgen.
In tegenstelling tot de dagen ervoor, strooide de zon in alle vroegte gul haar stralen over het wakker wordende landschap. Zo verleidde moeder natuur mens en dier tot een buitenbad in warmte en welriekendheid.

Na enkele rek en strekoefeningen, besloot ook ik me aan de verleiding over te geven.
Of mijn motief te maken had met de schijnbewegingen van de komende zomer valt te betwijfelen. De warme deken die spoedig over mijn kamer zou worden uitgespreid, zal eerder een stevige duit in het zakje hebben gedaan.
Zo volgde ik al vroeg de lange stoet van strandaanbidders op weg naar de kust. Toen het strand uitdagend op ons netvlies verscheen, overviel de niets vermoedende colonne een indringende lucht van zonnebrandolie. Als een opgejaagde kudde zwijnen stoof de schare fietsers onmiddellijk uiteen. Om de schade aan het neusslijmvlies te beperken, besloot ik de groep der deserteurs te volgen naar het dichtstbijzijnde terras.
Aangekomen, plofte ik neer op een geschikte stoel, verzwaarde de grond met mijn tas en bestelde een kop koffie.
Al kijkend naar de met zonnebrandolie overgoten mensenhoop, openbaarde in mij spontaan de weg der logica en begreep ik ineens waarom de golven zich dag in dag lijdend terugtrekken.  

Met de geserveerde koffie op tafel, pakte ik een boek uit mijn tas om het bruin worden te combineren met een voor mij plezierig tijdverdrijf.
Bladzij voor bladzij staarden de zorgvuldig gekozen woorden me verwachtingsvol aan. De hoop te worden verslonden was echter een ijdele. De gedrukte tekst danste als voorjaarsmuggen voor mijn ogen. Doorgronden kon ik ze niet.
Of het door een passage uit het boek kwam, of door de gebeurtenis van gister, of door een combinatie van beide? Wel, wie het weet mag het zeggen.
Onvermijdelijk gingen mijn gedachten terug naar een tijd die er zonder haar nooit zou zijn geweest.      

 

Hoofdstuk 1

Zoals elke andere lotgenoot het zal zijn vergaan, werd het ontluikende leven voornamelijk in beslag genomen door de dingen die tot de keuze van anderen behoorden. In mijn geval was dat kerk, school, familie, en vakantie.  
In mijn prille jeugd was de vakantiebestemming een huisje bij de duinen in Wijk aan Zee. Toen er een jongste telg op komst was, moest noodgedwongen voor een andere weg worden gekozen. Er werd uitgeweken naar een heus vakantiekamp op het Zandvoortse strand. Daar werd de kust onveilig gemaakt door het hijsen van de Nederlandse vlag en het zingen van daar ruist langs de wolken.
Toen de auto op het vakantietoneel verscheen, veranderde er veel. De afstand werd groter, het land anders en het verlangen naar mijn eigen bed sterker.
Eén van de eerste autovakanties was die met de volkswagen kever. Vrijwillig werd ik aangewezen om de destijds alom bekende kattebak te bewonen. Het was een heuse kattebak en geen kattenbak. Meerdere katten in één bak zou een ware kattenstrofe zijn geworden.
Verkneuterd en met opgetrokken knieën, was de bak een intieme reis en rustplaats. Onbewust zal daar het fundament zijn gelegd tot wantrouwen van de massa en de grote voorliefde voor kleine geïsoleerde ruimten.
Evenals de medaille, had ook de kattebak een keerzijde. Na uren in de stabiele zijligging te hebben gelegen, drong de onvermijdelijke behoefte op tot bewegen.    
Niets was er heerlijker om op een parkeerplaats van houten klaas te transformeren tot gymnastiekleraar.
Na een lange reis vond dit keer voor mij de transformatie plaats op het vakantieadres in het Duitse Sauerland. Een vriendelijke dame begroette de gasten hartelijk.
'Herzlich willkommen, gute reise gehabt?'
Na het serveren van een drankje, werd vol trots het gastenverblijf getoond.
Ruime gangen en grote kamers verschenen op het beeldscherm. Alleen bij de slaapkamer sloeg de schrik om het hart. 
"Wat is dat voor een rare dikke deken?", vroeg ik mijn moeder, toen mij het bed werd voorgeschoteld.
"O", zei ze, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, "dat is een dekbed. In deze streken is dat heel gewoon".  
Dat mocht dan waar zijn, voor mij was het volstrekt ongebruikelijk en onbegrijpelijk dat men onder deze heuvel rust kon vinden. Elke nacht was er oorlog.
Klokslag twaalf veranderde het dekbed in een monsterlijke gedaante. Stilletjes kroop hij van het bed en verkoos de grond als slaapplaats. In de rol van hijskraan moest ik hem regelmatig terugbrengen naar zijn oorspronkelijke bestemming.   
Na het afleggen der kinderjaren, ben ik de aanwezigheid van de vele lokale bierbrouwerijen in Duitsland geheel gaan begrijpen. Louter zelfbescherming. Een paar biertjes ’s avonds als noodgedwongen hypnose. Niet 's nachts, maar de volgende ochtend zou pas het op de grond liggende dekbed vermist worden.
Wat betreft de nachtelijke vakantieuren, was ik dolblij weer thuis te zijn. Gewoon een laken met een wollen deken. Dat was pas slapen.Tot het moment aanbrak, dat ook ik in overweging moest nemen of ik me voor het slapen gaan aan het bier zou vergrijpen.

 

Hoofdstuk 2

De bron van het familieleven speelde zich in mijn jonge jaren veelal af in Nieuw Vennep. Urenlang fietste we als gezin van Amsterdam naar het plaatsje, waar de opa van mijn moeders kant in de naoorlogse jaren predikant was geweest en er nog altijd woonde. Regelmatig logeerde ik daar alleen of met mijn oudste broer in de pastorie. De straat waar het domineeshonk aan lag, de dorpsstraat, leek het einde van de wereld. Uitgestrekte akkers en hoge populieren bepaalden daar het Haarlemmermeerse landschap.
Op één van de landerijen stond een alleenzame, groene keet, waar een vreemde kluizenaar woonde met een schotse collie. Evenals de hond leefde hij van hondenbrokjes. Als variatie op het thema, kauwde hij urenlang op pruimtabak.
De grote achtertuin van de pastorie grensde aan die van de school met den Bijbel. Via een kapot raam, kon de school makkelijk worden ingenomen door onverlaten als mijn broer en ik. Geen omgeving was er spannender en bijzonderder voor mij dan het plaatsje in de Haarlemmermeer.
Met Sinterklaas kwamen de cadeaus zwartgeblakerd uit de schoorsteen en er was een tuinman die in plaats van een gulden, vier kwartjes wilde voor zijn arbeid.
Haren knippen wilde ik bij voorkeur in Nieuw Vennep. Niet vanwege de knip kwaliteit van de kapper, maar vanwege zijn houten been.   
  
Het logeren bij opa en oma nam met het klimmen der jaren toe. Tijdens mijn verblijf, mocht ik dan vaak met opa op stap. Bij elk uitstapje zag hij er hetzelfde uit. Lange zwarte jas, een zwarte hoed en een dikke sigaar in zijn mond. Zo vertrokken we op een dag naar een varkensboer, die lid was van de kerkelijke gemeente. Volgens zeggen had de boer het niet hoog op met dominees, en zeker niet met deze. Mijn opa was in zijn ogen te vooruitstrevend. In tegenstelling tot vorige predikanten, bereed hij als notabele vertegenwoordiger van het modernisme, een automobiel. Uiterlijke schijn verbloemde echter de mankementen van het binnenste van de auto. Achterin lagen stenen, die voor het ingaan van elke nieuwe bocht verplaatst moesten worden.
Tot ergernis van vele boeren uit die tijd, had mijn opa ook nog grote interesse in de moderne landbouwapparatuur. Het in Nieuw Vennep gevestigde bedrijf Vicon, was daar destijds een waar toonbeeld van. 
Al dat vernieuwende gedoe was in de ogen van de varkensboer slechts het begin van de verloedering. Niets echter weerhield mijn opa om de confrontatie aan te gaan. 

“Het is een stugge, ik zal hem wat extra aandacht moeten geven”, sprak hij tot zijn vrouw.
Aldus verscheen na het schellen van de deurbel, een sobere, chagrijnige man aan de voordeur.
“Komt slecht gelegen, Floor”, bromde de boer, “één van de zeugen heeft problemen met werpen, de veearts is al….”.
”Waar is die zeug?”, sprak Floor gedecideerd.
Voordat de varkensboer iets in kon brengen, liepen we met z’n drieën gezagsgetrouw in de richting van de varkensstal. Al van verre drong een penetrante lucht mijn neus binnen. Zoekend naar gedeelde smart, keek ik vragend naar mijn opa op. Met zijn gezicht strak in de plooi, leek hij er totaal geen last van te hebben. De sigarenwalm die om hem heen zwermde, moest hem in bescherming hebben genomen. 
Bij de stallen aangekomen, zat in een apart hok een man op zijn hurken. Voelend aan de buik van het knorrende beest, moest dat wel de veearts zijn.
Met de handen in zijn zakken en de eeuwige  sigaar in zijn mond, aanschouwde Floor het tafereel. Ondertussen richtte ik mij nieuwsgierig op een hok ernaast, waar varkens snuivend naar de houten afscheiding liepen.  
Onverwacht sloeg opa me op mijn schouder.
“Egbert, hier blijven jongen, ik ben zo terug”.
Terwijl mijn opa het grindpad afliep, keek ik rustig en geïnteresseerd naar de handelingen van de boer en de veearts. De pastorie was niet ver, het kon dus niet lang duren voordat hij terug zou zijn.
Bezweet pakte de veearts het varken aan de achterkant beet. De kop van het steeds onrustiger wordende dier, lag stevig vastgeklemd in de handen van de varkensboer.  
“Ik begrijp het niet Pieterse, dracht was goed, bekken staat goed, misschien haar conditie”.
Met zijn veeartsen handen, veegde hij zijn bezwete hoofd af.    
Voordat iemand er erg in had, was opa al weer terug. Zonder enige vorm van communicatie, stapte hij het hok van het slachtoffer binnen en liep op het hulpeloze beest af. 
“Ze is te gestresst”, mompelde hij.
De twee mannen negerend, toverde hij een fles onder zijn jas vandaan en bracht de speen naar de mond van het varken. 
“Drinken jij”.
Als een gebedsverhoring begon het dier te zuigen en raakte in een lichte roes. Voor mijn jonge, stadse ogen, speelde alles zich toen in een oogwenk af. De veearts raakte euforisch en de ene big na de andere verscheen ten tonele. Negen werden er geworpen.
Terwijl de veearts en de boer over een paar biggen gebogen stonden, goot mijn opa een emmer water over het moedervarken uit.
“Welk een godswonder”, lachte de veearts tegen de dominee.
“Degene die jenever heeft uitgevonden, heeft zijn talenten goed gebruikt”, antwoordde hij.
Even later verliet ik trots met opa de varkensboer. Of het door de verre van moderne, huis, tuin en keukenmethode van mijn opa kwam, weet ik niet, maar in ieder geval sloeg Pieterse vanaf dat moment als een blad aan een boom om. Nog nooit had Nieuw Vennep zo’n goede dominee gehad.

 

Hoofdstuk 3

Genietend van het zonnige terras, wenkte ik de bediende. De charmante verschijning bracht me terug in de werkelijkheid.
“Nog een kop koffie graag”.
Toen ze over de drempel van het restaurant verdween, strooide ik opnieuw mijn blik uit over de frivool wiegende mensenmassa aan zee. Pakte het boek weer op en probeerde andermaal de woorden tot me door te laten dringen.
Hoe ik het ook probeerde, het lukte niet.

Onvermijdelijk gingen mijn gedachten terug naar de persoon die zo bepalend is geweest voor het gezinsleven; ons moeder.  
Zoveel momenten rondom haar persoon zijn jarenlang opgeborgen geweest in het laatje van mijn geheugen. In de zomer van mijn volwassenheid echter, begon de mist langzaam op te trekken. Misschien door het toenemen der jaren, waarbij de eerste gebeurtenis als laatste boven komt drijven? Wie het weet mag het zeggen.
Nu, zittend op het terras, herinnerde ik mij het korte, maar bepalende moment, als de dag van gister.

 

Hoofdstuk 4

Als twaalfjarig jongetje zat ik bij uitzondering alleen met vader en moeder aan tafel. De oudste telg was een dag bij een vriend, en mijn jongere zus en broer uit logeren bij een tante. Het gesprek tussen beide ouders terzijde leggend, richtte ik mij op het raam met uitzicht op het grasveld. Op de flat in Osdorp was vanaf de eerste verdieping het buitengebeuren van binnenuit perfect waarneembaar. Niet te hoog, niet te laag.
Ongeduldig wachtte ik op het moment dat een paar jongensbenen de grasmat zouden bezoedelen. Voldoende aanleiding om vroegtijdig de vleugels uit te slaan en het tafelgebeuren te verlaten. Spoedig zou de publieke buurtbewoner dan onbezoldigd getuige kunnen zijn van het overbekende behendigheidsspel der ledematen; het voetbal.
Na een paar geslaagde pogingen, werden de vele er na in de kiem gesmoord. Zelden kwam ik meer langs mijn moeder. Tijdig pakte ze me bij de lurven, of in de kladden. Als christelijk gezin behoorde de tafel nou eenmaal met gebed te worden beëindigd.
Ook nu keek ik dromerig naar buiten. Hopende dat het gebed eerder zou komen, dan de veredelde luchtzak op het gras. Eindelijk was het moment van stilte daar.
Vader vouwde zijn handen en boog zijn hoofd licht voorover. Gehoorzaam volgde ik. 
“Vader die in de hemelen zijd, uw naam worde…….
Er viel een unheimische stilte en een vreemd gevoel maakte zich van mij meester. In mijn aanwezigheid was het tafelgebed nooit eerder onderbroken. Met samengeknepen oogleden keek ik mijn vader onderzoekend aan.  
Nog altijd zat hij voorovergebogen in de gebedshouding. 
“Ik kan het niet”, zei hij, zijn vrouw schuin aankijkend.    
“Ik kan het niet”.
De woorden herhalend, wendde hij zijn hoofd richting het raam. Ook moeder kon haar emotie moeilijk in bedwang houden. 
"Misschien valt het wel mee", reageerde ze, terwijl haar betraande ogen flitste tussen mij en haar man. Hoewel ik de ernst van de situatie theoretisch niet kon bevatten, voelde ik het haarfijn aan.   
"Egbert, mamma moet binnenkort naar het ziekenhuis”, zei ze na een korte stilte.  Ter vertroosting streelde ze met haar hand door mijn krullende haar. Eén van de dingen waar ze altijd trots op was. Jarenlang heeft een blonde krul in mijn geboorte kaartje verscholen gezeten. 
“Het valt allemaal wel mee, hoor, ik ben maar even weg. Het komt echt wel goed”.
Iets in de verstandhouding tussen mijn ouders deed anders vermoeden.
Gelukkig duurde dat rare, vreemde gevoel, niet lang.
De bal op het gezonde gras kaapte het weg. 

 

Hoofdstuk 5

Zo werd ik enkele weken later voor het eerst geconfronteerd met het ziekenhuis. Aan bed geketend door allerlei slangen en vreemde apparaten, lag mijn moeder op een zaal met drie andere mensen. Met oprechte opgewektheid of misschien wel opgeluchtheid, probeerde ze de ernst van de situatie weg te nemen.
’s Nachts kon ik echter het beeld niet uit mijn hoofd krijgen. In mijn kinderlijke emotie, sloeg ik boos mijn vuisten in het kussen. Waarom mijn moeder? Teleurgesteld was ik in de Heer. Hoe vaak had ik niet mijn beste psalmmelodieën via de mondharmonica aan hem geofferd?   

Op de wekelijkse zwerftocht naar school, brachten de vele hongerig ogende winkeltjes mij op een gedachte. Om het leed te verzachten, besloot ik van mijn spaarzame centjes iets voor haar te kopen. Zodoende zwierf ik na schooltijd van buurtwinkel tot buurtwinkel. De dichtstbijzijnde huishoudzaak was als eerste het voorbeeld van desillusie. Bij binnenkomst pakte de eigenaar mij onmiddellijk in de kraag.
“Ben jij niet dat jongetje dat laatst kauwgom heeft gestolen, hè?”
“Dat moest van mijn vriend meneer, nu is mijn moeder……..”.
Met biechtogen keek ik naar de eigenaar op. Absolutie kwam echter niet in zijn boek voor en de winkelpoort bleef gesloten. Later zou ik met enkele stoere vrienden wraak nemen op de snoepautomaten. Zo ver was het echter nog niet.
Enkele straten verder probeerde ik het bij een andere winkel. Hoewel daar de hemel werd gegund, vond ik niets wat mijn bekoring kon wegdragen. 
Voordat de teleurstelling zich tot een hoogtepunt zou opstapelen, diende de oplossing zich als vanzelf aan. Op een zaterdagmiddag had mijn vader het plan opgevat te gaan winkelen in het nieuwe winkelparadijs; de tussenmeer in Osdorp. Samen reden we in de zuur verdiende Opel, naar de plek van bestemming. Hoog op de poten en bewapend met stuurversnelling, bracht de Kapitein ons veilig naar de koningin der aloude winkelketens, de Hollandse eenheidsprijzen maatschappij, oftewel, de Hema.
Verguld over al het moois, struinde ik belangstellend door de winkel. Al vaker had ik aangetoond functionele aankopen te kunnen doen. Zo werd ooit een afwasborstel gekocht voor de juf uit de derde klas, die het afwassen tot een leerlingenkunst had verheven. Het werd dan ook de hoogste tijd dat zij zichzelf tot gediplomeerd afwasser zou kunnen uitroepen.
Ook nu wilde ik een praktisch cadeau. Iets dat bij mijn moeder paste en aansloot op mijn minder gewaardeerde huiselijk gedrag. Die overigens bestond uit twee, in het oog springende eigenschappen; De voorliefde voor zieke en zwakke dieren en mijn slordigheid.

Door de kleine behuizing, konden de meegebrachte, verzwakte dieren, slechts worden opgevangen op het balkon. Binnenshuis moest ik mij beperken tot een aquariumbakje, waar een salamander woonde die in het voorjaar gezelschap kreeg van immense hoeveelheden kikkerdril. Het bakje stond op de vensterbank in de achterkamer, die zowel als eet en slaapgelegenheid werd gebruikt. In het beginstadium zat ik dikwijls gebiologeerd op de stoel, om de ontwikkeling van ei tot vis te volgen. Bij het verschijnen van de voorpoten, nam de regelmaat echter zienderogen af. Dagenlang keek ik er niet meer naar om, totdat mijn moeder de alarmbel rinkelde. Boos en verontrust nam ze me mee naar de plek des onheils. Verrukt zag ik daar tientallen babykikkertjes frank en vrij  door de kamer springen. Onmiddellijk moest ik onder streng toezicht tot actie overgaan. Opgejaagd sprong een enkeling door het openstaande raam, om in de tuin van de onder buurvrouw de vrijheid te bevechten. 

De andere eigenschap was de slordigheid. Deze eigenschap getuigde van bijzondere eenvoud. Gewoon datgene wat je had gebruikt, laten liggen op de plaats waar je als laatste geweest was. Simpeler kon het niet.

Lopend door de Hema, besloot ik mijn leven te beteren. Mijn oog viel op een licht blauwe, blikken vuilnisemmer, met een grote groene kikker er op. Bij het zien ervan, werd mij onmiddellijk duidelijk dat ik mijn belofte zou inlossen. Deze aanschaf zou voor haar het toonbeeld van verbetering zijn.
Trots toonde ik het cadeau aan het ziekenhuisbed. Het succes was goed zichtbaar en ze lachte er hartelijk om. Waarschijnlijk niet vanwege de vermeende hoop op herstel, maar door het gebaar.