Jeugdherinneringen (deel 2)

Afsluiting

Het is zaterdagochtend half negen. Slenterend door de straten van de Amsterdamse Jordaan, vang ik mijn voetsporen in het net van vrijetijdsbesteding. 
Alhoewel het aangenaam weer is, heb ik mijn handen tot in het puntje van de broekzakken weggestopt. Hangend over een brug, geniet ik van het rimpelloze water, ingesloten tussen de historische grachtenpanden. Rust is het meest aangename kenmerk van deze ontluikende ochtend. Al kijkend, probeer ik mij een beeld te vormen over een tijd waar rijdende conservenblikken en andere moderne uitwassen nog niet van invloed waren op het menselijk gedrag.  
Ronddolend in de nostalgische gedachte, ontvouwt zich een verfijnd en fraai schilderij voor mijn ogen. Jammer dat in historisch perspectief, de schoonheid der dingen vaak beter te doorgronden zijn dan in de werkelijkheid van het nu.
Twee hardop pratende dames verstoren mijn droomwereld.
"Ach meid", zegt de één tegen de ander, "heb je dat gehoord van blauwe Dirk? Hij is met z'n dronken hasses de gracht in gelopen".
"Nee, kind….je meent het", zegt de ander tegen de één, "nou ja, het zal z'n eigen stomme sch..……".
Verder lopend, kaatst mijn postuur zich via een winkelruit terug op het netvlies en word ik mijn licht voorovergebogen houding gewaar. Onmiddellijk strek ik mijn rug. Onder geen beding wil ik de indruk wekken op zoek te zijn naar munten, spijkers, voedselresten of andere met moederaarde vereenzelvigde artikelen. Geen mens wil ik het gevoel geven getransformeerd te zijn van een eerzaam belasting betaler, tot een zwervende stofzuiger. Mocht ik toevallig een vijftigje tegenkomen, dan zal ik niet nalaten deze zonder fiscale schuldgevoelens te verorberen. Maar ja, dat zou dan de eerste keer zijn. Over het algemeen vind ik niets op straat. Zelfs niet die ene keer toen ik een tip kreeg van een vriend.
"Egbert", zei hij, "als je op straat geld wilt vinden, ga dan op een zaterdagse namiddag naar de Albert Kuip. Zakken vol".
Als een hond snuffelde ik straatsteen voor straatsteen af. Resultaat, tien wasknijpers, acht bierflesdoppen, wat roestige spijkers en een geïnfecteerde neus. Reden genoeg om de quasi zoekhouding zo snel mogelijk overboord te gooien.
Zonder Marga Bult, maar desalniettemin rechtop in de wind, vervolg ik mijn weg.  Binnen enkele seconden steekt een volgende winkel de hand naar mij uit. Daar ik een uitgestoken hand niet in de palm wil kijken, laat ik mij naar binnen trekken. Een wandeling door de reeën of hartenstraat, kan gerust de boeken in gaan als een ultieme ontwenningskuur voor wandelverslaafden. Door de vele leuke winkeltjes, bereikt de wandelaarsmotor nooit het juiste aantal slagen om tot een verantwoord toerental te komen. De zaak verlatend, schuif ik noodgedwongen een tabakswinkel binnen. Niet dat ik iets rookbaars nodig zou hebben, doorgaans zijn mijn zakken één grote voorraadschuur. Ik kan mijn hand er niet insteken, of mijn vingers hebben een sigaar omklemd. Op dit moment geniet echter het nieuws de voorkeur. De erotische Davidoffs, laat ik dan ook onberoerd achter het raam.
"2.25", zegt de man achter de toonbank.
Zoals een rechtschapen Nederlander betaamt, vereffen ik mijn schuld en verlaat met de krant onder mijn arm het rokershol.

Buiten gekomen bedwelmen zonnestralen de atmosfeer. Met mezelf de discussie aangaand, verder lopen of op een stoel neerploffen, beslecht ik deze in het voordeel van de stoel. Geen grotere ondankbaarheid zou ik me kunnen voorstellen, dan de zon te negeren en niet even in alle rust te genieten van de warmte.
Vergenoegd zoek ik een terrasje met uitzicht op de Westerkerk. Als een lust voor het oog staat daar de Westertoren als boegbeeld van christelijke trots, midden in het centrum van het stadse verkeer. Een gevoel van betrekkelijke tegenstrijdigheid doemt in mij op. De kerk als toonbeeld van gemeenschapsleven, in schril contrast met onze solipsistische wereld, waarbij elk levend stofdeeltje zich meer en meer uitnemender gaat achten dan de ander. Laat staan dat er nog enig ontzag is voor degene die hen uit het stof heeft samengesteld. Waar ontleent men zich toch het recht aan, het bestaan van een God zo stellig te ontkennen? Misschien is onze eigen vergankelijkheid wel de voedingsbodem voor onze hoogmoed. Nog lekker even jezelf tot god verheffen, straks kan het niet meer.
"Eén koffie graag", zeg ik tegen een vriendelijke bediende.
Ik besluit mijn spinsels te verlaten en neem de koffie en krant ter hand. De voorpagina staat weer vol aanslagen, bestanden en verbroken bestanden. Oude wijn in nieuwe zakken. Al knisperend gaan de bladzijden door mijn vingers, totdat mijn oog blijft rusten op een artikel in de publiekspagina.  
'Niemand is onmisbaar', is de kop. De titel intrigeert en ergert me tegelijk. Aandachtig lees ik het van a tot z door.
In het stuk wordt beweerd dat ten alle tijde personen vervangbaar zijn, en zo concludeert de schrijver, in iedere situatie, dus ook in de politiek. De schrijver in kwestie heeft geen hoge hoed op van bepaalde, in functie zijnde, ministers. Het artikel roept irritatie bij me op. Niet om de ministers, maar om het cliché. Wie deze zegswijze ook bedacht heeft, hij of zij moet zich sterk betrokken hebben gevoeld bij afstandelijkheid.   
Hoe meer ik er over nadenk, des te meer ik me erover opwind. Mezelf kennende zal de staat van opwinding zijn oorsprong hebben in het verleden. Een opgedane emotionele ervaring, roept reactie op bij een soortgelijke kopie. Eén herkenbaar woord of beeld en de tranen biggelen langs je wangen. Ging het net wat beter, en ja hoor, daar komt het beeld weer voor ogen. Zij, onmisbaar? Zij, die de laatste jaren strompelend op krukken door het leven ging. Letterlijk en figuurlijk gekleineerd en gekweld door de alles verwoestende kanker, maar ondanks dat, er altijd voor iedereen en alles probeerde te zijn?
Opgefokt reken ik af. Met versnelde pols en pas, laat ik het terras achter mij. Ik zeil de hoek om, de keizersgracht op en bots tegen de bumper van een stilstaande politieauto. Nog meer irritatie. Een met zonnebril gewapende agent, kijkt mij achteloos aan. Zijn arm hangt uit het geopende raam over de deurleuning. Door de donkere glazen zijn de ijsbloemen op zijn gezicht duidelijk waarneembaar. De op de grond gevallen krant raap ik op en stop hem terug onder mijn arm. Ik wil doorlopen, maar bedenk me als ik de stoïcijnse blik van de agent onderschep. Impulsief als ik kan zijn, pak ik het zure nieuws onder mijn oksel vandaan en houdt de krant voor het kille uiterlijk.
"Wat vindt u daar nou van?", vraag ik de agent, wijzend op het artikel in de Volkskrant. Wat ik niet had verwacht, gebeurt. De knop van de koeling wordt lager gezet en de dooi treedt in.
Zijn lippen bewegen, mond gaat open en onuitsprekelijke woorden dringen mijn oren binnen.
"Waarvan?"
"Van dit artikel", antwoord ik hem kort. De agent kijkt er naar, komt waarschijnlijk niet verder dan het kopje boven het artikel en antwoordt mijns inziens te snel.
"De schrijver heeft gelijk", zegt hij.
"Aah", reageer ik, "dus u vindt dat er voor u best een ander in de plaats kan komen?".
De knop wordt weer hoger gezet. Hautain wendt hij zijn gezicht richting voorruit.
"Val je moeder lastig met zulke flauwekul", antwoordt hij bits. Ook ik probeer nu mijn meest gekoelde blik uit de diepvries te halen.
"O", zeg ik, “neem me niet kwalijk. Ik dacht dat de politie je beste vriend was en dat ze alles weten over vermissingen. Bovendien heb ik geen moeder meer. Dus”.
De agent wordt verlost door zijn collega die uit het niets opduikt.
"Wat is hier aan de hand?".
"Niets bijzonders ", antwoordt hij wijselijk.
Agent nummer twee kijkt me aan, haalt onverschillig de  schouders op en stapt in de auto, die onmiddellijk in beweging wordt gezet.
"In ieder geval kan ik jullie missen als kiespijn", roep ik nog na. De auto draait de hoek om. Ze zullen het wel niet meer hebben gehoord.

De volgende dag besluit ik onder invloed van het bestendige weer richting Ijmuiden te fietsen. 
Bepakt met handdoek, zwembroek, boek, zonnebril en wat geld, volg ik blindelings de roedel zonneaanbidders naar het strand.