Klasen

1 Inleiding                                                                                                       december 2008

Wie kent ze niet. Sinterklaas en de Kerstman. Om onderscheid aan te brengen heet de één klaas, de ander man. Eigenlijk is het gewoon flauwekul, daar zij namelijk één en dezelfde familie zijn. Onmiskenbaar herkenbaar aan de scharlaken rode mantel en het sneeuwwitte haar. Vanuit Mira verdwaald Europa in, met Columbus naar het Amerikaanse Brooklin, om met geronselde Pieten terug te keren naar het Europese huisgezin. En zo is het ei weer rond.

Geen traditie zit zo vol kindervreugd, bebaardheid en rust, als die der Klasen. Eeuwenlang arrensleet zij gemoedelijk door de decembermaand.
Gemoedelijk? Wellicht is het de midwinterzon die de schijn bedriegt. Ook de Klasenfamilie kent momenten die als malende piek opdoemen in de duisternis. Eeuwen lang is het boek gesloten gebleven…. 
  
Tijdens de jaarlijks terugkerende Klasenfamilieweekenddag, werd als vast agendapunt de vruchtbaarheid der Klasenvrouwen besproken. Sinds Klasenheugnis had geen enkele vrouw van het Klaselijkgeslacht een beroep gedaan op de doos der blijde verwachting. En dat terwijl pieten pepernoten en oranjeappeltjes bij bosjes in hun schoot wierpen als voedingsbodem voor vruchtbaarheid.
Maar in het jaar kruik veranderde alles. Op de familieweekenddag werd door de vruchtbaarheidspieten bekend gemaakt dat één der Klasenvrouwen, Klasina, bezwangerd was. Of het met de arrenslee van de Kerstman, of met de zak van Sinterklaas te maken heeft gehad, blijft onduidelijk. Eén ding was zeker, alles leek nu in kannen en kruiken. Op deze wijze zou immers de Klasentraditie onverstoord kunnen worden voortgezet.
Spoedig na de klasenfamilieweekenddag werd prille vreugde overvleugeld door verbloemend woordengeritsel. Was de Klasenvrouw Klasina zwanger van één, twee, drie of vier kleine klaasjes?
Na specuklasie, werd neef Wiggelklaas geconsulteerd en het probleem opgeroedeld. Tot eer en meerdere glorie van de KLasenfamilie, bleek de Klasenvrouw zwanger van een vierling. Alhoewel het bericht een Klasenbeving veroorzaakte, met een kracht van 7 individueel aangedreven pepernoten op de pietenschaal, bracht het tijdstip van bevalling een orkaangestuurde deining te weeg.
Deze golfde door de Klasenbaarden zoals golven der zee kunnen golven. Wat bleek; een warme, zomerse bevalling lag in het vooruitzicht. En dat terwijl de huidige leden van de Klasenfamilie onverschrokken hadden geworsteld om op de dag der geboorte boven te komen in een landschap waar maagdelijk wit kan domineren; de decembermaand.
Als natte sneeuw regende het tranen van teleurstelling. Sommigen spraken zelfs van onthagelde schande.
Alhoewel Wiggelklaas van alles op alles zette om een verlengde bevallingstijd te roedelen, bleek de zomerse bakermat onvermijdelijk.

Zo werd in één jaar tijd voor de tweede maal een Klasenweekendfamiliedag georganiseerd. Het werd het weekend van de EHBO(v). Eerste Hulp Bij Onduidelijke (v)ruchtbaarheidssignalen.
Van heinde en verre stroomden de Klasen toe en bogen zich over het probleem. Ze bogen zo diep, dat mijters en mutsen het veld der hoofden ruimde voor vette haarheid, terwijl de deksels als verlaten vuilnis onberoerd de grond kuste.
Doch in alle buigzaamheid bleef één Klaas overeind. De Hoofdklaas. Tussen alle gebogene bleef hij recht op in de wind volharden en kreeg hierdoor het mandaat om in wijsheid te spreken en met oplossingsvoorstellen te komen. Geen boezem klopte er verwachtingsvoller dan die van de overige, onderdanige Klasenharten. Hoe zou de koek gegeten worden, de gard geroerd, of de arrenbel gerinkeld?

Nadat de Hoofdklaas zich in wijsheid terugtrok, kwam hij na ampel zelfberaad de klasenmenigte tegemoet en spraakzaamde, zoals hij nog nooit gespraakzaamd had. 
“Beste Klasen”, spraakte hij alleenzaam.
“Gaan onze kindskinderen zich niet in de zomermaand van moeders last ontdoen? Is het daarom niet ons aller wens, dat zij, in zomerse lust de harten der kinderen aan doen?”.
Geen Klaas kon hier iets tegen in brengen. Knikkend accordeerden zij zijn woorden.    
Toen verhief de Hoofdklaas zijn staf en sloeg er viermaal mee op de grond.
“Als de Kerstklaas de arrenslee zou bereiden op het 5 decemberlaken, en de Sint zijn pieten zou uitstrooien op de kerstdaken. Hoe zouden wij bestaan?”.
Als wetenschappers staarden de Klasen ins blaue hinein. Na een blauwtje te hebben omgelopen, krabden de toppen der beklaaste vingers het steil bebaarde haar tot krullen. Wie het snapt, snappe het, maar de Klasen snapte er geen houtenklaas van.    
“Luister Klasenbroeders”, ging de Hoofdklaas onverstoorbaar verder, “om de decembermaand in zuiver wit en maagdelijk rein te laten slagen, is het de nieuwelingen niet gegeven onze naam achteraan te dragen”.
Achteloos draaide de Hoofdklaas zijn hoofd vier keer de schare rond.
“Goed, goed, voor de orde der Alzheimerklasen, herhaal ik het nog één keer”, riep hij.
“Om ons principe niet te verloochenen, mag bij de nieuwelingen geen naam, van klaas of man, achteran”. 
De wel gekozen woorden van Hoofdklaas, bracht wel te verstane verdeeldheid in de klasenmassa. Een fluisterend baarden gemompel ruiste door het luchtruim. Maar hoe en wat dan wel? Verwarring bleef de gemoederen de eerste drie en twintig uur van de dag bepalen. .

Slechts tegen het einde van de dag keerde de rust weer. De afscheidsrede van Hoofdklaas droeg daar heilzaam aan bij.       
“Beste Klasen”, zo scheidde hij af, “laat treurnis u niet ontstemmen, en verwarring u niet ontremmen. Overpeins uwerzijds mijn gedachte, dan zal ik mijnerzijds in ruste op uwer antwoord wachten. Een week voor aanvang der bevallingsgeneugte scharen wij ons opnieuw bijeen, Ondergedompeld in vreugde of badend in geween.
Veronachtzaam uw ideeën niet, zet ze op rijm of veranker ze in een lied”.

Zo verlieten de Klasen in gematigde rust de Klasenfamilieweekenddag om de volgende in gepaste onrust weer te keren. Geen Klaas had een goed rijm of lied. Laat staan een waardevolle gedachte.
Gelukkig was daar vrouwe Klasina zelf. Grijzer dan de grijste mannenklaas en wijzer dan de wijste pieterbaas. Na het bestijgen der katheder en enig gesnuif der baarden, vonden haar woorden eindelijk de juiste aarde.
“Klasen, klasen”,sprak zij wijs. 
“Bedaar. Laten wij in onervarenheid wachten op de kinderschaar. Misschien gebeurt er een wonder en heeft ieder klaasje iets in het bijzonder. Zoals verschillende kleuren in mantel of haar en vinden wij een naam aldaar”.

Na het nodige gewenk der brauwen, fronste de eerste Klasen zich erbij neer. Op de vleugels van de pauselijke wind viel de tweede Klasenrij de eerste spontaan bij. Om van de derde maar niet te spreken.
Daarna verlieten Klasina en de Hoofdklaas de katheder. Klasina wierp zich op de persstoel en Hoofdklaas perste zich in de arrenslee. Hierop keerde de aangename rust der Klasen terug, totdat de spanpieten het Spaanse paard Rossinante en zijn decemberknie, het edele rendier Rudolph, voor de arrenslee beteugelden. Als witte rook, laaide de bezwangerde ongedurigheid in opgewektheid weer op. Gespannen verzamelden de Klasen zich op het Klasenveld, wachtend op het vonnis der geboorte dat zich achter gesloten deuren voltrok.
Op het heetst van de barometernaald, opende de balkondeuren zich en het eerste Klasentelgje werd aan het bevolkte levenslicht ten toon gespreid. Bij het zien van de eerste jongeling, blies een wind van gemêleerd kippenvel door gemoed en Klasenhuid. Het enthousiasme over de scharlaken rode kleur die het lichaam sierde, was alleszins redelijk. Eveneens stemmig geknik over het sneeuwwitte haar, dat het jonge Klasenhoofdje drapeerde. Echter was het de verbazing die domineerde. Het ging hier over de nog o zo kleine muts die in het geheel niet was verklaast. Als de start al scheef is, was het motto, hoe zal het dan op de eindstreep zijn? 
Toen de andere drie jongelingen verschenen, veranderde de gemêleerdheid in tumultueuze uniformiteit.  Alle vier de Klaaskinderen bleken namelijk van identieke makelij. En wat nu? Een wind vol ongerechtigheid blies door de menigte. Men moest zich schamen. Hoe zou de Klasenmenigte hen op deze wijze ooit kunnen benamen?

Gedepressioneerd door de gepassioneerde onrust, zwierde Hoofdklaas zijn benen over de rand van de arrenslee. Schrijnend en schrijdend beval Hoofdklaas de bevallingsgerechtigde tot een eerst bevallingsoverleg.
Nadat het overleg goed was bevallen, opende de balkondeuren en vertolkte Hoofdklaas de woorden die in spoed waren beraad.
“Waarde Klasenfamilie, staakt het gemor en luister.
Raak niet, smaak niet, roer niet aan, het hypothetische duister.
Gesaam wachten wij lijdend af, wat de etmalen aan voeding brengen.
In rust, reinheid en regelmaat, tot de nachten weer zullen lengen.
Om te bezien of hun spenend gedrag, bijdraagt aan het effectbejag.
Dan zouden wij zonder enig blaam, hen kunnen voorzien van een edelmoedige naam”.     

Maar neen, neen nee, nee maar.
Des Hoofdklaas woorden vielen buiten de landingsbaan van het Klasenveld.  Zo denderde het gemor der Klasentrein met gezwinde spoed voort. De locomotief was pas bereid stoom af te blazen, toen de regelaarknop werd bijgesteld door Klaas anders. Anders was de Klaas wiens mutse, tijdens de ceremoniële buiging, als één na laatste de grond kuste. Ongelofelijk, maar waar. De bijna Hoofdklaas zeg maar.
Toen de rust op het station enigszins was getemperd, richtte de bijna Hoofdklaas zich tot de Hoofdklaas met woorden als geheel anders; 
“O, dierbaar Klasenhoofd, laat iedere individuele Klaas toch zijn eigen weg begaan.
De kinderharten wachten, Klasen kunnen onvervalste jonkheid toch niet overslaan?
Begrijp goed, aan uw enkel voorstel, in het samenhangend geheel geen enkele afbreuk.
Laat staan dat er een enkele Klaas is, die zich laat verleiden tot contractbreuk.
Maar waarom slaat uwe hoogheid zelve, bij uitzondering niet één kinderkadojaar over.
Dit alles in zorgeloze rust en in een eenvoudige pullover.
Verblijvend in aangenaam gezelschap van jonkvrouw Klasien, 
om de gedragingen der jongelingen in lief en leed te bezien.
Dan komen wij volgend jaar wederom te saam,
en laten ons verassen door het horen van hun naam”.

Op de evenwichtsbalk van pathetische jaloezie, was het moeder Klasina zelve die geen der Klasen het onderspit liet delven. Zij hief haar handen hemelhoog om de gemoederen tot aardse rust te verlagen. Zodoende bleef de Klasenvrede bewaard en het voorstel onbezwaard, aangenomen.  
En ging iedere Klaas zijns weegs.
Hoofdklaas wiegde met Klasina en haar telgen naar het eiland Terhelling. Proefondervindelijk zou daar het gedrag der jongelingen geobserveerd en getoetst worden, om vier loze naamklasen om te dopen tot de vier naamskinderen.     


2  Leiding aan

Om de kinderen vanTterhelling niet tot verlegenheid te slaan of ze er in te brengen,  bewoog de Klasenfamilie zich met inco en gnito materiaal over het eiland. De traditionele stoomboot werd verruild voor de clubmaster, een lease schip van de vereniging dobbertje duik. In het schone zeewater verkleurde het Klasentenue van scharlakenrood tot milieugroen. Zo kon een ieder vrijelijk bewegen. En dat deden ze dan ook, ze vrijede heel wat af.
Al snel obsedeerde de geobserveerde Hoodfklaas de kinderen.
Om de aandacht niet te veel op de klaasjes te faciliteren, werden ze gevierlijk in een rood wit blauw pakje gehezen. De éérstgeborene kreeg een rood wit blauwe broek, de tweedstgeborene  een rood wit blauwe bloes, de derdstgeborene een rood wit blauwe pet en de vierdstgeborene een rood wit blauwe pet met een oranje knoet er bovenop. Dit onderscheid zou zorgen voor een adequate registratie van een weloverwogen analyse.
Maar ook zonder kleren viel het onderscheid al snel op. Als een volwassen man was de derdstgeborene niet van beide moederborsten weg te slaan. De tweedstgeborene sloeg slechts acht op de linker met af en toe een kwinkslag naar de rechter. De eerstgeborene zag alleen de linker zitten en de vierdstgeborene geen van beide. Dit laatste verontruste de Klasen wel. Hoe kon een welgeschapen Klaas zich niet voor vrouwenborsten interesseren?  
Ook ’s nachts was het verschil snel te merken. De derdstgeborene brulde alle vuurtorenwachters bij elkaar, de tweede slechts een enkele, de eerstgeborene slechts één en de vierde geen één.
Het was moeder Klasina die het verschil heimelijk in haar hart bewaarde, totdat de Hoofdklaas zelf er iets van ontwaarde.

De eerste keer was dat op de favoriete  plek der dreumesen, de zandbak. Maar dan wel die zandbak waar je als ouder of oppas niet in staat was uit te rusten op de rand van de bak. Dit betekende een noodgedwongen eenwording  met de omgeving. Dat was dus oppassen geblazen. Vooral voor de immense hoeveelheden zand die met schepjes en emmertjes onvermijdelijk over het lichaam zouden worden uitgestort. Dit ware niet erg geweest, als de som der zanddelen niet de kriebelende drang had zich als zanddruppels tussen haar en baard te verschuilen.  
Deze korrelige plek wordt in de volksmond ook wel strand genoemd.

Hoofdklaas had hierover zo zijn eigen dakloze gedachte. In zijn grenzeloze eenvoud sprak de eindeloze vlakte hem wel aan. Geen paarden gehobbel of onevenwichtig daken gewiebel. Zo hinkte Klaas over de evenwichtsbalk der mijmering. 
Toen echter het windscherm zich tegen de zonnestralen keerde, sprong hij naar rechts en keek over het strand in de schaduw van zijn nageslacht. Voor het eerst ontwaarde hij aldaar het onderscheidend vermogen tussen het jonge Klasengebroed.


Als een haas veroverde de derdstgeborene kruipend de zandkorrels. De tweedstgeborene verklaaste zich in konijnen haast. De eerstgeborene sloop als nijntje over de korrels voort en met de vierdstgeborene was het bij de konijnen af. Niet vooruit te branden.   
“Frummel de bummel”, mompelde de vermomde Hoofdklaas, “wat één wonderlijke harddraverij”.
Toen de woordjes begonnen te brabbelen, boxten ook anderen op tegen dit probleem. Tijdens een zandstorm bezigde de derdstgeborene in de grootste babiezandbak aller tijden, het strand, het woordje dat de meeste babies als eerste bezigen. Het betekenisvolle woordje dat verlangend aangeeft bij diegene te willen zijn die in beginsel alles voor ze doet, hoed en voed. Zo sprak de derdstgeborene feilloos het woord ‘Klasina’ uit onder de oren en ogen van enkele overgewaaide oppaspieten. Daar de wind waait waarheen hij wil, volgde de tweede snel met het woord ‘Klasien’, de eerstgeborene had het over ‘Klasie’ en de vierde kwam niet verder dan ‘Klas’.    
Daar moeder Klasina ooit als gerenommeerd schooljuf voor de klas had gestaan, een vriendje had die haar Klaske noemde, had ze het meest moeite met de naam Klasie. 
Maar ach, een paar keer het woord Klasie en als vanzelf kwam de acceptatie.
En zo hobbelden de jongelingen dag in dag uit op hetzelfde paardenritme voort. Zo ook met kaartspelletjes als memorie en hartenjagen. Jaagde de derdstgeborene op drie harten, de tweede memoreerde er maar twee, de eerstgeborene joeg slechts één hart op hol en de vierde looste geen enkel hart in zijn herinnering.

Als dit alles was geweest, dan was het nog mee gevallen. Maar dat was niet zo. Hoofdklaas zou Klaas niet waardig zijn als hij nog geen tweede punt ontklaaste. Iets wat Klasina reeds eerder had geklaast, maar daar zij het in haar hart klaaste, werd het pas beklaast toen de Hoofdklaas het opmerkte. Alhoewel de peuterbox, de kinderkamer, de woonkamer, keuken, tuin, ja eigenlijk het hele eiland, vergeven was van marsepein en pepernoten, taalde de kleine klaasjes er in het geheel niet naar. Het enige waar zij verlangend naar uitkeken, waren de korrels waar zij al kruipend een relatie mee hadden opgebouwd; het zand. Zand bracht het motorhart der jongelui op gang. En, merkwaardig genoeg stond niets de zandneurose in de weg. Het toeval wilde dat de ouderklasen alles deden om de zandstorm aan te wakkeren. Zo werden de kleine klaasjes in slaap gewiegd met oude of nieuw zandliedjes, als brandend zand en nergens water en het liedje; zand, zand, zand.  

 

Zand op de boterham, zand in je haar,
Het liefst een hele kilogram, gemengd met tartaar.
Kastelen bouwen met een schepje, tunnels graven op het strand.
De wind speelt haasje repje, je neus raakt nog roodverbrand
En als de zon roept; ha, ik heb je,
steek je hem snel in het koele zand.

 

Maar goed, beter, best. Zoals iedere oprechte Klaas weet, bestaan de meeste dingen uit drieën. Bij de Klasen is dit een onvervalst hoofddeksel als mijter of muts, mantel en cadeau. Vervalst is dit een hoofddeksel, mantel en een boek. Dit laatste is vals omdat de inhoud van het boek zou kunnen aangeven, dat stoute kinderen zich niet tot eigenaar van enig cadeau mogen verheffen. Stoute kinderen bestaan echter niet. Wel vreselijke kinderen die door verwend gezeur of gejank achter het behang geplakt zouden moeten worden.  
Maar dat lijkt niet verstandig. Wil je de muur egaal houden, dan zou je eerst de muur achter het behang moeten uitbreken tot een leuk uitsparinkje, zodat het kind kan worden vernist. Zoals de non van Monza dat is overkomen.
Allemaal erg veel werk en of dat niet wat zonde van de muur is, valt te bezien. Een cadeau geven lijkt eenvoudiger. 

Het derde ontwikkelpunt in de opvoedingsfase was geheel anders dan de tweede en weer anders dan de eerste. Daarom werd het ook wel de derde genoemd.
Dit keer ging het niet om negatieve faalangst als ooit bij de Kerstman. Hier ging het om de spraak. Sliste, stotterde of spraken zij met dubbele tongval? Was er sprake van wartaal of totale verwardheid. Klasen zij dank. Dat niet. Er was iets anders aan de hand.
Met of bij ieder woord dat de kleine Klasenburgers nabootsten of nasynchroniseerden, wifte de eerstgeborene. De tweede wafte, de derde woefte en de vierde blafte. En als de vierde niet blafte dan wifte hij en blafte de eerste op rij. Dat dit een verbijzondering van het bijzonder was, hadden de Klasen snel door. Wat ze er moesten niet. Het beste leek de Klasoloog er naar te laten pedisten. 

Ondertussen schreed de tijd voort en kwam de naamklasenweekendfamiliedag dichter en dichterbij.
Enige zweetdruppels ontsproten op het voorhoofd van de Hoofdklaas, wat moest hij?.            
Na het wekelijks terugkerende tien minuten overleg, dat de hele dag in beslag nam, groef Hoofdklaas diep met zijn spade door zijn cellentuin. Als een cryptogram passeerde het kleine Klasengedrag zijn brein. Toen hij afsloeg en ze inhaalde, kon hij ze eindelijk inrekenen en schudde ze voor gebruik eens flink door elkaar.
“Wat voor naam moet ik jullie nou eens geven”, incorporeerde hij misprezen. Daar niemand hem hoorde was hij geheel op zichzelf aangewezen. Te midden van een verscheurd isolement, welde in hem een experiment. Hij brak de Klasenketen los en zocht heil in het pietenbos.             
Zo ging de Hoofdklaas met Klasina en de namenpiet in overleg en evalueerden  heimelijk achter de pietenheg.      

 

3 Naamleiding

De dagen vlogen voorbij. De nachten kropen.
Maar hoe Hoofdklaas de slapeloosheid ook bevocht onder zijn beddensprei, uiteindelijk kwam de naamklasenfamilieweekenddag beneveld aangeslopen.

Bijna alle Klasen hadden zich wederom verzameld op het Klasenveld in het Klasendorpje Den Klaas. Anders dan Klaas anders, wachtten zij nieuwsgierig op het verschijnen van de Hoofdklaas. Anders dan Klaas anders, omdat Klaas anders er was geweest als hij anders dan te doen gebruikelijk niet gestruikeld was met zijn paard. Zodoende was hij er niet. De op concurrentie bedachte Hoofdklaas bedacht zich dat hij dit niet erg vond, maar liet dit niet merken.
Komend met de arrenslee verscheen Hoofdklaas, Klasina en de namenpiet, stijlvol voor het Klasencapitool. Toen de bellen van de arrenslee de pepernotensuite in D grote terts liet horen, wisten de andere Klasen dat het goed zat. Er moesten namen verklaast zijn.
Toen Hoofdklaas op het balkon verscheen, juichten de Klasen in verantwoorde stilte door gepassioneerd hun staf een halve minuut naar de hemel op te heffen. Zo was het fitness programma voor die dag ook weer afgewerkt.

“Waarde Klasenfamilie”, sprak Hoofdklaas doordacht.
“De bevalling der namen, was ingewikkelder dan de bevalling der lichamen. Maar niet getreurd. Het is gebeurd. De klassiek genormeerde Klasenmaat was niet te gebruiken, we hebben dan ook de analyse aan het wetenschappelijk licht moeten laten ruiken. 
Het was er op of er onder, de klaasjes waren op diverse onderdelen zeer bijzonder. Als één wifte, zeg eens a, wafte de ander extra. De volgende woefte drie gedeeld door drie is één keer meer, de laatste blafte dan geen enkele keer”.

Als het nu niet in Mira donderde, dan donderde het nooit meer ergens. De Klasenmenigte was sprakeloos. Uiteraard misten zij hun spreekbuis Klaas Anders. Anders hadden zij voorgesteld Hoofdklaas lid te laten worden van de orde der Alzheimerklasen. Waar ging dit allemaal over? Een bui vol regenwolken zorgde dan ook voor een zware depressie boven het Klasenveld. Een gezoem van ongenoegen zwermde als verstoorde bijen rond de Mijter van de Hoofdklaas. Toen echter de depressie overging in een hevige regenbui, dreef de reddingsboei voor Hoofdklaas als vanzelf voorbij. Gretig stak hij zijn hand uit en pakte hem aan. Daar iedere Klaas in paardendraf vrijwillig naar een droger heenkomen vluchtte, sublimeerde Hoofdklaas vluchtig in een onafwendbaar alternatief. Nu de Klasenfamilie zich in ongeloof van hem af dreigde te wentelen, trapte hij noodgedwongen op de vaste  trede van het vruchtgebruik van zijn alter ego.   

Toen de bui eenmaal was opgetrokken, trok de Klasenstam slenterend van plichtsbesef op naar het Klasenveld. Hoofdklaas was echter al een brug te ver en had de erfenis van het alter ego reeds op het balkon gestationeerd.

Gedisciplineerd strekte hij zijn handen uit en maande tot stilte. Draaide zich om en sprak de menigte streng toe;

“Familie. Toen er net geen Klaas meer was die enig woord uit mijn mond opving, is de schoonheid van het lied de enige oplossing. Zo zullen de monden van onze jonge Klasenloten, woorden omvormen tot zangnoten”.

De vier jonge Klaasjes stonden keurig op een rij op het balkon. De Hoofdklaas pakte zijn toverstok en dirigeerde akapellerend de jongelingen bij het zingen van hun eerste Klasenkwartet.

“Toen klaasjes kleine wifjes waren, wafte het harde land,
Huilend woefend op de blaren, maar blaffend in het zand.
Wif, waf, waf, woef.
Woef, woef, blaf, blaf,
Klaasjes horen op het strand.
Geef ons toch een schepje mee, wij willen zand, zand, zand.  

De Klasenmenigte was aan de grond gehageld. Een onverwachte bui overviel hen vanaf de linkerflank. Concentratie op het lied was nu groter en belangrijker dan wat dan ook. Vol getalenteerde verbazing doorgronden ze ootmoedig, dat zij Hoofdklaas ten onrechte hadden beschuldigd. Het probleem zat niet onder zijn mijter, maar tussen de nog niet verklaaste oren van de Klasenpeuters. Zo veranderde de Klasendepressie in een mistige wolk van nieuwsgierigheid.  Tot welk resultaat dit zal leiden?    
   
“Waarde community”, sprak Hoofdklaas die onmiddellijk zijn woorden aanpaste aan de veranderde sfeer. 
“U heeft het zelf gehoord en zal begrijpen, dat de genoten dagen van afzondering en onthouding, zijn ontketend tot momenten van wanverhouding en een totaal andere levenshouding”.          
De Klasencommunity knikte instemmend.
“We waren dan ook genoodzaakt plan A te verlaten voor plan C mineur. Zelf plan B leek geen optie door het klaasjes gezeur”.
Instemmend bogen de volwassen Klasennekken wederom.
“We hebben ons dan ook moeten beroepen op de meest effectieve netwerkdiagramtechniek van dit moment, de program en review devaluation trend. Oftewel het critical path method moment.
Uitgaande van een eenvoudig Pert diagram, is het resultaat berekend door het gewogen gemiddelde te nemen van een optimistische, pessimistische en de waarschijnlijke tijdsdam.
We hebben daar bij de Gantt kaarten gebruikt, 
zo werd de horizontale as vertikaal bezien, zodat de verwachte mijlpaal niet kon worden misbruikt”.  


Na deze woorden zal geen Klaas meer naar het blaue hinein durven staren. Vol ontsteltenis veranderde de Klasen in groen, geel gespikkelde paashasen, vol van gefocuste verbazing over de kennis van de Klaas der Klasen. In aandachtige afhankelijkheid werd geen woord gesproken. Vertogen of onvertogen. Een pepernoot zou je op een schoenzool kunnen horen vallen, zo stil was het. En dat is niet gelogen. En zo genoot Hoofdklaas zienderoog van zijn eigen betoog.
“De uitkomst van het wetenschappelijk onderzoek, vermengd met de door mij eerder geformuleerde gedachte dat onze gewaardeerde en beroemde achternaam, Klaas, vanwege hun zomerse geboorte niet door de jongelingen als achternaam achteran mag en kan worden gedragen, is de Klasenjury tot de volgende conclusie gekomen”.

Gespannen wachten de Klasen op de uitspraak.

“Waarde Klasen luister”, sprak de Hoofdklaas als solitair jurylid.
“Wij, Klaas der Klasen, hebben het inzicht niet laten verdwazen en zijn tot een beslissing gekomen. Hoewel de benaming Klaas Vaag het best zou passen in hun onderkomen, hebben wij gemeend er goed aan te doen de Klaaswaardige blaam tot uitdrukking te laten komen in hun naam”.
“Luister en huiver niet, want een betere oplossing is er niet;
Het eerstgeboren klaasje heet vanaf nu: Klaas Vaak.
De tweedstgeborene noemen wij; Klaas Vaker
De Derdstgeborene is gedoopt tot Klaas Vakerst, 
en de vierde in de rij; Klaas Minstvaak”. 

Een diepe zucht ging als ongestelde vraag door de menigte. Vol bewondering ontdeden de Klasen zich tot vier maal toe van hun muts of mijter en bogen tot diep in het stof.
Hoofdklaas gebaarde ze echter op te staan en hun kleren schoon te slaan. Hij was er nog niet helemaal met zijn verhaal.
“Waarde Klasenvrienden luister, luister”, ging hij tevreden verder.
“Zoals ons is opgevallen en door hen bezongen hand in hand,
zijn de klaasjes geobsedeerd door zand 
Meenemende, dat zij niet in de wintermaand, maar in die van de zomer,
het kinderhart moeten aandoen, niet als de decemberKlasen maar autonomer, 
Is het voorstel hen tijdens de zomerse dagen hun gang te laten gaan,
onder de titel die zij vanaf nu dragen als roepnaam.
Zij dienen zomerse kinderen te gaan vermaken met gewassen zand, 
hoe, dat is bij ons nog niet geland”.

Vol veranderde tevredenheid verlieten de Klasen de weekendfamiliedag. Alles was anders dan zij hadden verwacht. Al was hun positie onveranderd, toch positioneerde de Klasenfamilie zich als veranderd. Anders dan voorheen, was er een nieuw Klasenfenomeen. De verhalen over de Klaas Vaken traditie begon zo meteen. En Klaas Anders? Dat was inmiddels geheel anders. Zoals Klaasje huilt en Klaasje lacht, er was niemand, zelfs niet één, die meer aan hem had gedacht.   
Alleen weet je gelukkig nooit hoe dingen kunnen lopen,
en kan er onverwacht tegen je aan worden gekropen.
Misschien overkomt Klaas Anders dit ook, zoals menigeen,
en wel in het volgende verhaal van Klaas Vaak, Vaker, Vakerst en Minstvaak deel één.